naar top
Menu
Logo Print

BELANGRIJKE FOUTEN VERMIJDEN BIJ
VERVANGEN VAN DISTRIBUTIERIEM

Vervangen distributieriem in een Audi A4 (B6)

Bij het vervangen van een distributieriem worden nog te vaak vermijdbare fouten gemaakt. Daarom voorzien fabrikanten hun installatiekits meestal van een gedetailleerde installatiegids voor de monteurs. In dit artikel doorlopen we stap voor stap de procedure voor een correcte vervanging van de distributieriem in een Audi A4 (B6) 2.5-liter V6 TDI met motorcode AKE MY 2001. De geplande tijdsduur van deze werkzaamheden bedraagt om en bij vier uur.

TIPS

Vervangingsinterval

Na 120.000 km is het aangeraden om de distributieriem en de brandstofpomp van de wagen te vervangen. Dat is althans het advies van ContiTech, fabrikant van onder andere distributieriemen. Bovendien moeten de onderdelen elke 30.000 km gecontroleerd worden.

Multi V-riem mee vervangen

Om later uitvallen en onnodige kosten te vermijden, wordt aangeraden om de multi V-riem tegelijkertijd met de distributieriem te vervangen. Als desondanks toch wordt besloten om de multi V-riem te hergebruiken, dient de looprichting aangeduid te worden alvorens de riem te demonteren.

Gereedschap

Voor een correcte vervangingsprocedure is het volgende gereedschap nodig:

  • blokkeerpin voor de krukas OE (3242);
  • vastzetpin OE (T40011);
  • tegenhouder OE (3036);
  • dop van dopsleutel OE (3078);
  • vastzetpin voor brandstofpomp OE (3359);
  • nokkenas vastzetpin OE (3458);
  • trekker OE (T40001).

VOORBEREIDING

De eerste stap is om het voertuig te identificeren aan de hand van de motorcode. Het betreft hier een Audi A4 (B6) 2.5-liter V6 TDI met motorcode AKE MY 2001.

Ontkoppel vervolgens de batterij. Let erop dat je de nokkenas en de krukas niet meer draait, zodra de distributieriem verwijderd is. Draai de motor in de normale draairichting (wijzerzin), tenzij anders aangegeven. Doe dit enkel op het tandwiel van de krukas.

Contact tussen de riem en schadelijke stoffen zoals motorolie of koelvloeistof moet te allen tijde vermeden worden. Respecteer nauwgezet de aanhaalmomenten die de voertuigfabrikant voorschrijft. Voer alle controles en aanpassingen enkel uit op een koude motor.

DEMONTAGE

Verwijder achtereenvolgens de voorste bumperafdekking, het onderste paneel van het motorcompartiment, de motorafdekkap, de viscoventilator, de bovenste bescherming van de distributieriem (links en rechts), de afdekkap van de multi V-riem, de draaimomentsteun, de luchtafvoerbuis voor de turbocharger en de intercooler links, het expansievaatje voor de koelvloeistof en de multi V-riem. Verplaats de motorkapsluiting naar de servicepositie.

  • Stel de kleptiming af op het bovenste dode punt (TDC Top Dead Center) van cilinder 1. Draai de motor op de krukas tot het kleine gaatje op de vibratiedemper van de brandstofpomp bovenaan staat. Steek de vastzetpin voor de brandstofpomp in het gaatje van de vibratiedemper van de injectiepomp (zie figuur 1 en 2).
  • Verwijder het deksel van de olievulopening. Wanneer het TDC van cilinder 1 correct is ingesteld, moet 'OT' (Duits voor TDC of bovenste dode punt) zichtbaar zijn (zie figuur 3 en 4).
  • Schroef het blokkeerwerktuig OE (3242) in het cilinderblok aan de rechterkant, vlak voor de aansluiting van de versnellingsbak boven het oliecarter (zie figuur 5 en 6). Verwijder eerst de schroefdop.
  • Verwijder de vacuümpomp aan de cilinderkop links. Om dit te doen, verwijder de moeren van de vacuümpomp en draai de pomp in tegenwijzerzin. De leidingen blijven aangesloten (zie figuur 7, 8 en 9).
  • Hef voorzichtig de deksels van de nokkenas rechts op, met behulp van een schroevendraaier (zie figuur 10 en 11). Let erop dat u het afdichtvlak niet beschadigt. Het deksel wordt bij het verwijderen beschadigd en moet vervangen worden (de distributieriemkit bevat een nieuw deksel).
  • Steek het fixeerwerktuig in beide zijden van de cilinderkop. Om dit te doen, bevestig de haakjes van de ketting op de juiste plaats (zie figuur 12, 13 en 14).Gebruik het fixeerwerktuig van de nokkenas niet als tegenhouder!
  • Verwijder de vibratiedemper van de brandstofinjectiepomp.

Draai nooit de centrale bout van de brandstofinjectiepomp los, anders verandert de basisafstelling ervan! De brandstofinjectiepomp kan niet ingesteld worden met werkplaatsuitrusting

  • Draai met de dopsleutel OE (3078) de bout voor de spanrol van de brandstofpompriem los, tegenhouden met de inbussleutel (zie figuur 15). Verwijder ten slotte de distributieriem van de brandstofinjectiepomp.

DEMONTAGE NOKKENASRIEM

  • Schroef de acht bouten van de trillingsdemper van de krukas los en verwijder de trillingsdemper.
  • Verwijder de onderste bescherming van de distributieriem.
  • Verwijder de riemschijf van de viscoventilator.
  • Schroef de zes bouten van het distributiedeksel en haal het deksel weg.
  • Draai drie bouten op het tandwiel van de brandstofpomp los van het tandwiel van de nokkenas en verwijder deze. Gebruik hiervoor tegenhouder OE (3036).
  • Aandrijfwiel losdraaien en uitnemen.
  • Draai de beide centrale bouten links en rechts van de nokkenas los met tegenhouder OE (3036) (zie figuur 16).
  • Draai de tandriemspanrol met een 8mm-inbussleutel langzaam in wijzerzin los, tot de hydraulische demper zo ver naar onder gedrukt is dat het fixeerwerktuig OE (T40011) in de hydraulische demper ingebracht kan worden (zie figuur 17, 18 en 19). De hydraulische demper is oliegedempt en kan enkel door middel van een gelijkmatige kracht langzaam ingedrukt worden. Hij kan enkel worden bediend door middel van de spanrol. Indrukken met tang of spanklem kan de hydraulische demper beschadigen.
  • Haal beide tandwielen van de nokkenas uit de kegel met de trekker OE (T40001) (zie figuur 20 en 21).
  • Verwijder het linkse nokkenastandwiel (zie figuur 22).
  • Verwijder de distributieriem.

MONTAGE NOKKENASRIEM

  • Plaats de nieuwe onderdelen van de distributieriemkit. Controleer de overige onderdelen, zoals de tandwielen van de nokkenas en de krukas, op schade. Let erop dat de geleidingspin van de tandriemspanrol aan de achterkant goed zit (zie figuur 23, 24 en 25).
  • Plaats de distributieriem, beginnend bij het krukastandwiel, dan over het rechtse nokkenastandwiel, spanrol en meelooprol, koelwaterpomp en ten slotte over het verwijderde linker nokkenastandwiel. Schuif het nokkenastandwiel met de riem terug in de kegel en schroef de centrale bout weer in (zie figuur 26, 27 en 28). Zorg ervoor dat de distributieriem tijdens de plaatsing niet geknikt wordt. De riem moet gespannen staan tussen de tandwielen aan de trekzijde.
  • Draai de beide schroeven van de nokkenas zo ver vast dat het nokkenastandwiel nog kan worden gedraaid, maar niet gekiept.
  • Draai langzaam de spanrol van de distributieriem vast met de 8mm-inbussleutel tot blokkeerwerktuig OE (T40011) makkelijk uit de hydraulische demper verwijderd kan worden (zie figuur 18).
  • Breng de distributieriem op voorspanning met een tegenwijzerzindraaimoment van 15 Nm met de 8mm-inbussleutel op de spanrol (zie figuur 29). Dit brengt de hydraulische demper op voorspanning en de nokstoter zet verder uit. De riemspanning is nu correct ingesteld.
  • Zet beide tandriemen van de nokkenas vast met 75 Nm met behulp van de tegenhouder OE (3036).
  • Plaats de nieuwe spanrol voor de tandriem van de brandstofinjectiepomp in het distributiedeksel en draag er zorg voor dat het oogje van de spanrol in de fixeerbout haakt (zie figuur 30).
  • Plaats het centrale distributiedeksel (zie figuur 31) met aanhaalmomenten: (1) 45 Nm; (2) 10 Nm; (3) 22 Nm; (4) 10 Nm.
  • Plaats de onderste tandriembescherming, de krukasvibratiedemper (22 Nm) en de viscoventilatorriempoelie.

MONTAGE TANDRIEM INJECTIEPOMP

  • Monteer eerst en vooral het aandrijfwiel voor de injectiepomp op de nokkenaslager in het midden van de slots. Doe dit op een dusdanige manier dat het aandrijfwiel voor de injectiepomp nog net kan bewegen.
  • Plaats vervolgens de tandriem voor de injectiepomp weer op de juiste plaats.
  • Span de tandriem op met inbusbout OE (3078) en inbussleutel (zie figuur 32). Draai de inbussleutel in tegenwijzerzin tot de markeringen (pijltjes) uitgelijnd zijn(zie figuur 33). Bevestig vervolgens de spanrolmoer met een kracht van 36 Nm, met behulp van de dopsleutel OE (3078).
  • Draai de drie bouten van het aandrijfwiel van de injectiepomp op het nokkenastandwiel tot 22 Nm.
  • Verwijder de blokkeerpin voor de krukas OE (3242), de vastzetpin voor de brandstofpomp OE (3359) en de nokkenasvastzetpinOE (3458).
  • Draai daarna de krukas twee omwentelingen in de draairichting van de motor door en zet de motor vervolgens weer op het bovenste dode punt, zoals beschreven in stap 1 tot en met 6 van het verwijderen van de tandriem van de injectiepomp.
  • Controleer de instellingen van de spanning voor de tandriem van de injectiepomp. De markeringen (pijltjes) moeten uitgelijnd zijn (zie figuur 33).
  • Plaats dan de vibratiedemper van het tandwiel van de injectiepomp (22 Nm).
  • Plaats het deksel van de cilinderkop rechts achteraan weer op de juiste plaats. Installeer vervolgens de vacuümpomp (10 Nm).
  • Lokaliseer de schroef in het cilinderblok (blokkeerpin voor krukas OE (3242)) en draai deze vast (35 Nm).
  • De montage en de afwerking gebeuren in de omgekeerde volgorde van de demontage. Raadpleeg hiervoor opnieuw het begin van dit stappenplan. De schroeven van de momentsteun worden vastgedraaid met 40 Nm.
  • Noteer tot slot de vervanging van de originele distributieriem op de bijgevoegde sticker en kleef deze in het motorruim (zie figuur 34).

Een testrit na de uitgevoerde werken bevestigt uw correcte vervanging die normaliter iets meer dan vier uur in beslag nam. 

MONTAGETIP
Een veelvoorkomend probleem bij de montage van de nokkenasriem is dat tijdens de werkzaamheden de spanningshendel tegen de spanrol schuurt (zie figuur 25). Dit kan ernstige schade aan de motor veroorzaken en moet dus te allen tijde vermeden worden!
Oorzaak: door tijdens de montage of installatie de spanningshendel onjuist te hanteren en positioneren, komt deze in contact met de cilinder na slechts enkele seconden in bedrijf te zijn. Oplossing: controleer zorgvuldig de positie van de spanningshendel. Enkel het voorziene contactoppervlak mag geraakt worden. Dit zorgt voor een vrije beweging van de cilinder.Fabrikanten als ContiTech voorzien op hun website vaak bijkomende installatie- of montagetips. Op die manier kunnen garagisten onnodige fouten vermijden. 
Montagetips: www.contitech.de/pic.