Ledkoplampen verdelen Belgische bestuurders
AJBA-enquête legt generatiekloof en technische aandachtspunten bloot
Ledverlichting is technisch gezien onmisbaar in het hedendaagse wagenpark. Toch blijft de maatschappelijke aanvaarding een punt van discussie. Een recente bevraging van de Association des Journalistes Belges AutoMotoMobilité (AJBA) toont een duidelijke kloof tussen de waardering van ledkoplampen in het eigen voertuig en de hinder die men ervaart bij tegenliggers. Voor de automotivesector heeft dit implicaties op het gebied van afstelling, systeemintegratie en verantwoordelijkheid in de gehele keten.
Oudere bestuurders sterk vertegenwoordigd
De enquête werd uitgevoerd van 15 tot en met 30 januari 2026. De leeftijdsverdeling van de deelnemers is daarbij een belangrijke parameter. 40,6% van de respondenten behoort tot de groep 65 tot 75 jaar, 23,4% is tussen 55 en 65 jaar en 21,9% is ouder dan 75. Bestuurders tussen 45 en 55 jaar vertegenwoordigen 7,8%, terwijl de categorieën jonger dan 30 jaar en 30 tot 45 jaar elk 3,1% uitmaken.
De resultaten weerspiegelen dus in hoofdzaak de perceptie van oudere weggebruikers, wat relevant is bij de interpretatie van verblinding en lichtcomfort.

Meerderheid ervaart hinder bij tegenliggers
Wanneer respondenten voertuigen met ledkoplampen kruisen, geeft 56,3% aan dat zij die verlichting als hinderlijk ervaren. 20,3% spreekt van “niet echt hinderlijk” en 15,6% ondervindt geen hinder.
Uit de detailgegevens blijkt dat vooral de oudere leeftijdsgroepen uitgesproken kritisch zijn. In de categorie 66 tot 75 jaar ervaart 73% de ledverlichting als storend. Bij 56 tot 65-jarigen loopt dat op tot 60%. In de jongste categorieën (18 tot 30 jaar en 31 tot 45 jaar) ligt de perceptie evenwichtiger, met telkens 50% die aangeeft hinder te ondervinden.
57,8% van de deelnemers wenst dat tegenliggers minder felle koplampen gebruiken. 20,3% staat hier onverschillig tegenover en 18,8% is tegen een vermindering. Daarmee sluit de discussie aan bij bredere Europese reflecties over lichtverdeling en verblinding.

Paradox: kritisch voor anderen, tevreden over eigen led
Wanneer dezelfde respondenten wordt gevraagd naar hun eigen voertuig, keert het beeld om. 60,9% geeft aan tevreden te zijn over de eigen ledkoplampen, 17,2% vindt dat ze geen verschil maken en 9,4% is negatief.
In de leeftijdsgroep 46 tot 55 jaar bedraagt de tevredenheid zelfs 100%. De centrale vaststelling is duidelijk: nee tegen led bij anderen, maar ja voor persoonlijk gebruik. Voor professionals toont dit hoe sterk lichtbeleving verschilt naargelang men bestuurder of tegenligger is.

Technisch verschil tussen led en halogeen
Volgens de enquête werken ledsystemen doorgaans met kleurtemperaturen tussen 6.000K en 8.000K en wordt een lichtopbrengst van 8.000 lumen vermeld. H4-halogeenlampen situeren zich rond 3.000K tot 3.200K, met 1.000 lumen voor dimlicht en 1.650 lumen voor grootlicht. Beide systemen verbruiken volgens de aangehaalde gegevens 55 tot 60 W.
De hogere kleurtemperatuur van led resulteert in een koeler, witter lichtbeeld. Die golflengte wordt door het menselijk oog anders waargenomen, wat mogelijk bijdraagt aan een verhoogde verblindingsperceptie bij oudere bestuurders.

Aandachtspunten voor professionals
In de vrije commentaren worden verschillende technische factoren aangehaald: foutieve afstelling bij nieuwe voertuigen, retrofitled zonder correcte homologatie of afregeling en verschillen tussen geavanceerde matrixsystemen en minder gesofisticeerde oplossingen.
Ook het minimalistische design van moderne lichtunits wordt genoemd. Compactere optieken bieden minder ruimte voor grotere reflectoren, wat de bundelcontrole kan beïnvloeden.
Voor Belgische automotiveprofessionals ligt hier een duidelijke opdracht. Correcte koplampafstelling bij aflevering en na herstelling, nauwkeurige kalibratie van adaptieve systemen en transparante communicatie over retrofitoplossingen zijn essentieel om hinderperceptie te beperken.
Ledverlichting is technologisch ingeburgerd, maar de maatschappelijke aanvaarding blijkt genuanceerder. De uitdaging voor de sector bestaat erin maximale zichtbaarheid voor de bestuurder te verzoenen met minimale verblinding voor de tegenligger – een evenwicht dat in de praktijk vooral afhangt van afstelling, systeemintegratie en vakmanschap.