Autowerkgelegenheid verschuift binnen Europa
Studie wijst op opleidingskloof bij leveranciers
De Europese autosector biedt rechtstreeks werk aan meer dan 6 miljoen mensen. Toch dalen sinds 2019 de werkgelegenheid in de voertuigproductie en het aantal banen bij toeleveranciers. Een studie van de Europese Commissie en de OESO toont ook hoe sterk de behoefte aan opleiding verschilt tussen grote fabrikanten en kleinere bedrijven.
De omschakeling naar elektrische voertuigen, digitalisering en internationale concurrentie veranderen de Europese autosector. Volgens een gezamenlijke studie van de Europese Commissie en de OESO bleef de totale werkgelegenheid in de sector tussen 2008 en 2025 globaal op peil. Achter dat cijfer gaan grote verschuivingen schuil. De studie omvat voertuigbouw, toeleveranciers en de verkoop en herstelling van voertuigen.
Productie verschuift oostwaarts
Het aandeel van de autosector in de werkgelegenheid nam toe in verschillende landen van Centraal- en Oost-Europa, terwijl traditionele productielanden zoals Frankrijk en Duitsland terrein verloren. Sinds 2019 daalde bovendien het aantal banen in de Europese voertuigproductie en bij toeleveranciers. Tussen 2019 en 2023 kromp de werkgelegenheid in de voertuigproductie met bijna 9% en verdwenen bij toeleveranciers ongeveer 110.000 banen.
Verkoop en herstelling vormen een stabieler deel van de sector. Die activiteiten zijn verspreid over het grondgebied en blijven verbonden met de lokale vraag naar onderhoud, herstellingen en onderdelen. Vooral in de voertuigbranche zijn veel kleine ondernemingen actief.
Ook de toeleveringsketen veranderde. Het aandeel van onderdelen en andere tussenproducten uit andere EU-landen steeg volgens de studie van ongeveer 17% in 1995 naar 25% in 2022. Het aandeel uit China groeide in die periode van vrijwel nul naar 3%. De onderzoekers wijzen daarbij op de toenemende afhankelijkheid voor onder meer batterijen, elektromotoren en geavanceerde elektronica.

Verandering zonder opleiding
Banen in de autosector zijn volgens de studie doorgaans relatief goed betaald en stabiel. Tegelijk zegt bijna 80% van de werknemers in de voertuigproductie dat hun werkomgeving ingrijpend is veranderd. Bij ongeveer een derde van de werknemers die zo’n verandering meemaakten, ging die niet gepaard met formele opleiding. Bij toeleveranciers loopt dat aandeel op tot ongeveer 40%.
Grote fabrikanten beschikken doorgaans over meer middelen voor opleiding en sociaal overleg. Kleinere toeleveranciers en bedrijven in de verkoop en herstelling hebben minder mogelijkheden om nieuwe opleidingsbehoeften op te vangen. Voor hen zijn toegankelijke opleidingen en erkende kwalificaties volgens de onderzoekers van bijzonder belang.
Ontslag heeft langdurige gevolgen
De studie onderzocht ook de inkomensgevolgen van collectieve ontslagen en bedrijfssluitingen in elf Europese OESO-landen. In het eerste jaar na hun ontslag ligt het brutojaarinkomen van getroffen werknemers uit de autosector gemiddeld 57% lager dan dat van vergelijkbare werknemers die hun baan behielden. Ook zes jaar later bedraagt het verschil nog ongeveer 20 tot 25%. In die cijfers zijn zowel perioden zonder werk als een eventueel lager loon na hertewerkstelling verwerkt; uitkeringen en belastingen zijn niet meegerekend.
De onderzoekers pleiten daarom voor tijdige omscholing, inkomenssteun, begeleiding naar ander werk en sociaal overleg. Ze wijzen ook op mogelijke nieuwe activiteiten, zoals herstelling, opknappen van voertuigen en revisie van onderdelen. Investeringen in de Europese productie van elektrische voertuigen en componenten kunnen eveneens werkgelegenheid creëren. Volgens de onderzoekers hangt het aantrekken van die investeringen mede af van voldoende werknemers met de nodige vaardigheden.