Wanneer is transmissieolie aan vervanging toe?
AT, DCT en CVT vragen elk hun eigen vloeistof en onderhoud
In vrijwel alle voertuigsegmenten worden inmiddels automatische transmissies toegepast. Om de verschillende typen in optimale staat te houden, is passend onderhoud op het juiste tijdstip noodzakelijk. Daarbij moet rekening worden gehouden met het feit dat de verschillende varianten hun eigen vloeistof nodig hebben met het oog op comfortabele rijeigenschappen, efficiëntie en uitstoot. Transmissies worden daarbij steeds kleiner en lichter, waardoor het aantal voorschriften toeneemt.
De ontwikkelingen op het vlak van automatische transmissies hebben inmiddels geleid tot verschillende uitvoeringen. Naast de klassieke automaat met koppelomvormer (AT) zijn er ook transmissies met dubbele koppeling (DCT), continu variabele transmissies (CVT) en diverse hybride en geëlektrificeerde transmissieconcepten ontwikkeld.
Soorten transmissies
Voor personenwagens zijn vier hoofdtypen automatische transmissies relevant.
De conventionele automatische transmissie (Automatic Transmission – AT) schakelt zelfstandig tussen vaste overbrengingen. Veel uitvoeringen gebruiken een koppelomvormer voor de verbinding tussen de motor en de transmissie, wat vooral bij het wegrijden en manoeuvreren bijdraagt aan een soepel rijgedrag.
Een transmissie met dubbele koppeling (Dual Clutch Transmission – DCT) is een geautomatiseerde transmissie met twee koppelingen: doorgaans één voor de oneven en één voor de even versnellingen. Terwijl de ene versnelling is ingeschakeld, kan de volgende alvast worden voorbereid, waardoor de transmissie zeer snel kan schakelen. Er bestaan zowel natte als droge DCT-uitvoeringen.
De continu variabele transmissie (Continuously Variable Transmission – CVT) werkt doorgaans zonder traditionele, vaste versnellingen en verandert de overbrenging traploos. Bij veel uitvoeringen wordt de overbrengingsverhouding continu aangepast via variabele poelies en een metalen duwband of ketting. Hierdoor kan de verbrandingsmotor maximaal binnen een efficiënt toerentalgebied werken.
De hybride en geëlektrificeerde transmissies combineren een verbrandingsmotor met een of meer elektromotoren om het voertuig efficiënt aan te drijven.
Transmissievloeistoffen
Om een veilige en efficiënte werking van iedere automatische transmissie te garanderen, is het gebruik van de juiste vloeistoffen tijdens onderhoud essentieel. Hanteer als uitgangspunt altijd de specificatie van de voertuig- of transmissiefabrikant. De viscositeit alleen is geen graadmeter, aangezien ook de basisolie, het additievenpakket en vooral de wrijvingskarakteristiek moeten passen bij de specifieke uitvoering.
Controleer daarom altijd voertuiggegevens, transmissiecode, bouwjaar, model, cilinderinhoud, motorvermogen en het officiële onderhoudsvoorschrift. Intelligente software kan vervolgens helpen bij het maken van de juiste keuze, bijvoorbeeld op basis van het kenteken of andere voertuiggegevens zoals het chassisnummer (VIN). Deze software heeft veelal niet alle besproken parameters nodig om tot een juiste keuze te komen.
Wanneer de vloeistoffen niet nauwkeurig worden geselecteerd voor de specifieke transmissie, kan de gebruiker te maken krijgen met vroegtijdige uitval, een hoger brandstofverbruik of andere symptomen zoals slecht schakelgedrag en oververhitting.
AT
In het geval van de AT smeert de vloeistof (ATF) tandwielen, lagers en andere bewegende onderdelen en koelt ze interne componenten. In veel automatische transmissies werkt ze tevens als hydraulisch medium voor de bediening van kleppen en koppelingen. Daarnaast is een nauwkeurige regeling van de wrijving essentieel. Natte koppelingen en rempakketten moeten voldoende grip bieden om slip te voorkomen, maar ook met de juiste wrijvingskarakteristiek aangrijpen om soepel te kunnen schakelen. Verder beschermt de ATF tegen oxidatie, slijtage, corrosie en schuimvorming.
Voor ATF bestaan veel verschillende fabrikantenspecificaties. Oudere toepassingen vragen vaak om een hogere viscositeit, terwijl moderne transmissies regelmatig een LV- of ULV-product (lage viscositeit) voorschrijven om interne energieverliezen te beperken en warmte effectief af te voeren. Zo hebben oudere Dexron II/III-vloeistoffen bij 100 °C doorgaans een kinematische viscositeit nodig van meer dan 7 mm²/s om een betrouwbare smering en bescherming van transmissieonderdelen te garanderen bij hoge bedrijfstemperaturen. Bij sommige moderne ATF’s komt deze onder de 5 mm²/s uit, wat voor de werking van een transmissie een aanzienlijk verschil is. Ook een goede en soepele werking van de transmissie bij lage temperaturen en tijdens koude starts is essentieel voor een betrouwbare werking. De viscositeit alleen bepaalt echter nooit of producten onderling uitwisselbaar zijn.
Een verkeerde ATF kan de transmissie doen slippen, schokken of onrustig schakelen
Een verkeerde ATF kan het wrijvingsgedrag van koppelingen en rempakketten verstoren. Daardoor kan de transmissie gaan slippen, schokken, vertraagd aangrijpen of onrustig schakelen. Een onjuiste viscositeit kan bovendien de hydraulische regeling en warmteafvoer beïnvloeden. Op termijn kunnen oververhitting, afzettingen en versnelde slijtage ontstaan.
DCT
Bij DCT’s moet onderscheid worden gemaakt tussen natte en droge koppelingen en tussen de verschillende transmissieconstructies. Bij een natte DCT lopen de koppelingen in de vloeistof. Deze smeert de tandwielen en lagers, koelt de koppelingen en regelt hun wrijvingsgedrag. Afhankelijk van de constructie kan de vloeistof ook een rol spelen in de hydraulische bediening.
Bij een droge DCT lopen de koppelingen niet in olie. De smeerbehoefte en het voorgeschreven product kunnen daardoor wezenlijk anders zijn. Een DCT-vloeistof mag daarom alleen worden gebruikt wanneer het product de vereiste fabrikantenspecificatie of toepassing expliciet afdekt. Een zogenoemde multi-vehicle DCT-vloeistof kan veel toepassingen afdekken, maar is nooit automatisch geschikt voor iedere DCT.
Bij een natte DCT kan een verkeerde vloeistof slip, trillingen of hard aangrijpende koppelingen veroorzaken. Ook de smering, koeling en hydraulische werking kunnen worden verstoord, wat kan leiden tot versnelde slijtage van koppelingen, tandwielen en lagers. Bij een droge DCT kan een verkeerde vloeistof eveneens problemen veroorzaken in het gesmeerde tandwiel- of bedieningsgedeelte.
CVT
CVT-vloeistoffen beschikken over zeer specifieke wrijvings- en tractie-eigenschappen. Bij een CVT met een duwband of ketting is de vloeistof verantwoordelijk voor de juiste krachtoverbrenging tussen de band of ketting en de poelies en helpt ze daarnaast slijtage te beperken. Verder verzorgt de CVT-vloeistof de smering, koeling en, waar van toepassing, de hydraulische bediening.
Een universele vloeistof voor CVT’s bestaat niet: het is noodzakelijk voor iedere specificatie een vloeistof te kiezen die expliciet hiervoor is ontwikkeld of vrijgegeven. Veel aftermarketproducten dekken meerdere toepassingen af, maar niet iedere CVT heeft dezelfde constructie en wrijvingseisen. Controle van de voorgeschreven specificatie blijft daarom in alle gevallen noodzakelijk.
Omdat een CVT sterk afhankelijk is van de juiste tractie- en wrijvingseigenschappen, kan een verkeerde vloeistof onvoldoende grip tussen de duwband of ketting en de poelies veroorzaken. Mogelijke gevolgen zijn slip, trillingen, extra warmteontwikkeling en ernstige slijtage. Beschadiging van de band, ketting of poelies kan uiteindelijk leiden tot kostbare transmissieschade.

Uitvoeren onderhoud
Evenals de keuze van de juiste vloeistof is ook het uitvoeren van onderhoud in eerste instantie gebaseerd op de voorschriften van de voertuig- of transmissiefabrikant. Deze kunnen daarbij echter geen 100% zekerheid geven. Onderhoudsintervallen kunnen ook sterk per constructie, vloeistof en gebruiksomstandigheid verschillen. Zware belasting, zoals veel stadsverkeer, aanhangergebruik, hoge temperaturen of intensief stop-startverkeer, kan bijvoorbeeld een korter interval noodzakelijk maken. Een globaal advies is opgenomen in het kaderstuk.
Het onderhoud aan de transmissies start voor iedere variant met een analyse en controle. Identificeer de transmissie en controleer de exacte vloeistofspecificatie, vulprocedure, bedrijfstemperatuur en niveaucontrole. Tip: werk uiterst schoon, want moderne transmissies zijn gevoelig voor vervuiling. Vervolgens wordt de olie afgetapt en gecontroleerd op mogelijke afwijkingen op basis van geur en kleur of de aanwezigheid van deeltjes. Bij klachten kan dit helpen om de juiste diagnose te stellen, waarmee wordt voorkomen dat een mechanisch probleem na de onderhoudsbeurt ten onrechte aan de nieuwe vloeistof wordt toegeschreven.
Voorafgaand aan het vullen met nieuwe olie wordt aangeraden de automatische transmissie te spoelen. Dit leidt tot een hoge mate van reiniging van het interne oliecircuit, zeker wanneer reinigingsadditieven worden toegepast. Tevens wordt daarbij álle oude olie verwijderd en vervangen. De machines die het spoel- en vulproces automatiseren, zorgen zelf voor de juiste vulgraad, wat beschermt tegen over- of ondervulling en uiteindelijk leidt tot maximale slijtagebescherming en schakelcomfort. In andere gevallen wordt de vulgraad handmatig bepaald.
Onderhoud per transmissie
Bij AT’s wordt de oude ATF afgetapt en vervangen door nieuwe ATF met de juiste specificatie. Indien voorgeschreven, worden ook het filter, de carterpakking en andere afdichtingen vervangen en de carterpan gereinigd. Vervolgens wordt de transmissie volgens de fabrieksprocedure gevuld. Het vloeistofniveau moet vaak bij een nauwkeurig voorgeschreven temperatuur worden ingesteld. Daarna volgen een lekkagecontrole en een functionele proef.
Voor veel ATF-typen is een zogenaamde ‘powerflush’-behandeling mogelijk die effectiever is dan traditioneel verversen. Hierbij wordt de transmissie door één machine gespoeld, gereinigd en voorzien van nieuwe vloeistof. Een dergelijke machine is géén vervanging voor diagnose, filtervervanging of ander voorgeschreven mechanisch onderhoud.
Een spoelmachine is géén vervanging voor diagnose, filtervervanging of ander voorgeschreven mechanisch onderhoud
Ook bij DCT’s wordt de oude vloeistof afgetapt en vervangen door het voorgeschreven product. Bij een natte DCT kan ook vervanging van het filter nodig zijn. Het niveau wordt volgens de voorgeschreven temperatuur- en vulprocedure ingesteld. Afhankelijk van het transmissietype kunnen vervolgens met diagnoseapparatuur een ontluchtingsprocedure, basisinstelling of adaptatie nodig zijn. Sluit de werkzaamheden af met een lekkagecontrole en proefrit.
Tot slot wordt bij CVT’s de afgetapte CVT-vloeistof vervangen door een product met exact de juiste specificaties. Indien voorgeschreven, worden ook het filter, de zeef en de afdichtingen vervangen. Het niveau moet vaak binnen een nauwkeurig temperatuurbereik worden ingesteld. Na afloop worden de transmissie op lekkage en foutcodes gecontroleerd en de werking tijdens een proefrit beoordeeld. Een CVT universeel spoelen zonder de voorgeschreven procedure en eventuele beperkingen te kennen, is af te raden.
Elektrische voertuigen
Waar traditionele automatische transmissievloeistoffen (ATF) sterk gericht zijn op wrijving bij het schakelen en hydraulische druk, zijn EV-versnellingsbakken fundamenteel anders. Veel EV’s maken gebruik van een geïntegreerde e-axle (aandrijfeenheid), waarbij een reductiebak met één versnelling direct in dezelfde behuizing is ingebouwd als de hoogspannings-elektromotor. Omdat de vloeistof direct in contact komt met elektrische componenten die onder spanning staan en koperen wikkelingen, worden ook de elektrische eigenschappen en materiaalcompatibiliteit belangrijk. Denk daarbij aan bescherming van koper en andere non-ferrometalen.
Tevens zijn er systemen op de markt waarbij de elektromotor en de reductiebak van elkaar gescheiden zijn. Hierin zijn conventionele transmissieoliën te gebruiken die geen zeer lage geleidbaarheid of compatibiliteit met koper vereisen.
Een reguliere ATF is niet automatisch geschikt als e-fluid
Vloeistoffen
In elektrische en geëlektrificeerde aandrijflijnen worden, afhankelijk van de constructie, laagviskeuze transmissievloeistoffen of speciaal ontwikkelde e-fluids toegepast. Bestaande ATF-technologie vormt daarbij vaak het vertrekpunt, maar e-fluids moeten eventueel aan aanvullende eisen voldoen. Een lage viscositeit helpt wrijvingsverliezen te beperken, terwijl effectieve koeling belangrijk is voor de efficiëntie en temperatuurbeheersing van de aandrijflijn. Door de hoge toerentallen en compacte, thermisch zwaarbelaste aandrijfmodules zijn daarnaast schuimbeheersing en oxidatiestabiliteit aandachtspunten. Ook bij elektrische voertuigen geldt daarom dat uitsluitend een product mag worden gebruikt dat de voorgeschreven toepassing en specificatie afdekt. Een reguliere ATF is niet automatisch geschikt als e-fluid.
Met medewerking van Eurol, Liqui Moly, Kroon Oil, Den Hartog en Xenum
Onderhoudsintervallen – lifetime fill
De intervallen zijn uitsluitend globale praktijkindicaties en vervangen nooit het fabrieksvoorschrift. Daarvoor zijn ze te afhankelijk van verschillende parameters.
Lifetime fill
In het verleden werden ATF-vloeistoffen door autofabrikanten geschikt genoemd voor een ‘lifetime fill’. Met andere woorden: gedurende de gehele levensduur van de automatische transmissie is het niet nodig deze vloeistoffen te vervangen. Dit vraagt echter enige nuance, aangezien de levensduur van een automatische transmissie niet vergelijkbaar is met een mensenleven. Zo rekenen fabrikanten voor de levensduur doorgaans met 8–10 jaar of 150.000–180.000 km. Na deze kilometers of jaren valt de auto normaal gesproken buiten de garantie en bij schade aan de automatische transmissie kan dat uiteindelijk duur uitvallen voor de klant.
Wat dat betreft spreken auto- en transmissiefabrikanten niet altijd dezelfde taal, hetgeen een bekend conflict is in de auto-industrie. Waar autofabrikanten graag adverteren met ‘lifetime fills’, spreken de transmissiefabrikanten dit tegen. De voordelen voor de autofabrikanten liggen in het feit dat deze lifetime fills de gecalculeerde onderhoudskosten voor eerste eigenaren en leasingvloten in de eerste jaren enorm verlagen. Transmissiefabrikanten weten echter dat olie veroudert onder invloed van temperatuur, oxidatie, mechanische afschuiving, vocht, vervuiling en slijtagedeeltjes. Daarom moeten drie factoren naast elkaar worden gelegd: het onderhoudsvoorschrift van de voertuigfabrikant, eventuele voorschriften van de transmissiefabrikant en de werkelijke gebruiksomstandigheden. ZF stelt expliciet dat de olie voor zijn bekende 8-trapsautomaten (ZF 8HP) uiterlijk elke 80.000 tot 120.000 km of na 8 jaar moet worden ververst. Géén lifetime fill dus.